Grote sterke man

"Zeg het maar gewoon, ik wil weten waar ik aan toe ben", zegt meneer. Hij klinkt resoluut en wil niet wachten tot zijn vrouw er is. Ik zie de twijfeling bij de arts-assistent. Het is tenslotte niet gebruikelijk om slecht nieuws te brengen zonder te wachten op familie en al helemaal niet om dit nieuws te delen op een vierpersoonskamer. Maar meneer staat erop om het nieuws nu meteen te horen en wil er geen doekjes om winden. "Geef die uitslag van de scan nou maar, ik kan wel wat hebben", zegt meneer in een poging de arts-assistent zover te krijgen het nieuws toch te gaan vertellen.

 

"Oke', begint de arts-assistent en ze kijkt mij aan. Ik knik naar haar alsof ik wil zeggen "dit is hoe meneer het wenst, dus zeg het maar". "We hebben de scan beoordeeld en ik moet u helaas vertellen dat we iets zien wat er niet hoort te zitten", hoor ik de arts-assistent zeggen, terwijl ik naar meneer kijk.

 

Ik zie het nieuws bij hem binnenkomen en hoor hem, de op dat moment, belangrijkste vraag stellen; "Is er iets aan te doen?", vraagt hij. "Dat moet verder onderzoek nog uitwijzen en daar kan ik u dus nog niks over zeggen", antwoord de arts-assistent.

"Wil jij het mijn vrouw vertellen?", vraagt hij aan de arts-assistent. "Wanneer u vrouw straks op bezoek komt, zal ik bij u langslopen en gaan we met elkaar zitten om het te bespreken", zegt ze terwijl ze hem de hand schudt. Ze desinfecteert haar handen en loopt de kamer uit.

 

En daar sta ik dan. Naast het bed waar net iemand heeft gehoord dat er iets zit, wat er niet hoort te zitten. Alles wat ik op dat moment zou willen zeggen, lijkt ongepast en even weet ik niet meer wat ik tijdens de opleiding geleerd heb. Alle simulatiegesprekken tijdens de lessen professionele communicatie lijken ineens heel lang geleden.

 

Ik besluit om een stoel te pakken en naast het bed plaats te nemen. Meneer draait zich om en kijkt mij, met verdrietige ogen aan. "Tja, het is niet anders", zegt hij. "Het moet een klap voor u zijn en ik kan mij zo voorstellen dat het veel met u doet", antwoord ik terug in een poging aan te sluiten bij het gevoel van meneer.

 

"Weet je meisje, het veranderd niet als ik nu verdrietig ben en zou huilen. Het is zoals het is". Even weet ik niet wat ik moet zeggen en meneer vult de stilte op. "Vroeger zei mijn vader altijd dat huilen voor watjes was. En ik ben een grote sterke man, zoals je ziet", zegt hij terwijl hij mij inmiddels niet meer aankijkt. "En hebben grote sterke mannen dan nooit verdriet?", vraag ik aan meneer.

 

Het antwoord op mijn vraag heb ik nooit gehad. Maar ik denk dat ik mij als verpleegkundige net zo heb gedragen als meneer. Het slechte nieuws raakte mij, maar ik hield mij groot.

En dus ben ik dat moment voor even een grote, sterke man geweest.