Leugentje om bestwil

"Sorry mevrouw, maar het infuus slaat steeds op alarm. Ik denk dus dat we er goed aan doen om een nieuwe venflon in te brengen", zeg ik terwijl ik naast het bed van mevrouw sta. Het infuus is inmiddels zo'n drie keer per minuut afgegaan en is voor mevrouw niet dragelijk. Door de ernstige hoofdpijnklachten is ieder piepje er een teveel en dus lijkt een nieuwe venflon de beste oplossing.

 

"Het moet dan maar", zegt mevrouw terwijl ze nog steeds onder de deken ligt om zo min mogelijk prikkels te ontvangen. "Ik wil wel dat iemand prikt, die in een keer goed prikt, kan dat?", vraagt mevrouw. "We gaan ons uiterste best doen", hoor ik mijzelf zeggen terwijl ik naar het infuuskarretje loop voor de benodigdheden. 
De collega aan wie ik die dag gekoppeld sta, komt ook naar het karretje en ik laat haar de benodigdheden zien. "Wil jij prikken?", vraagt ze aan mij. "Ja dat wil ik wel, maar ze wilde iemand die in een keer goed prikt", zeg ik terwijl ik haar aan kijk. "Dit wordt mijn eerste keer prikken. Nou ja de eerste keer op een "echte" patiënt", zeg ik nogmaals.

 

"Maar zelfs als je dit al tientallen keer gedaan hebt, is het geen garantie dat je meteen goed prikt", zegt mijn collega. "Niet laten merken dat het je eerste keer is en met vertrouwen prikken", zegt ze mij bemoedigend toe. 
Met een hartslag van 120 keer per minuut, ga ik naast het bed van mevrouw zitten. "U mag u arm strekken en een vuist maken. Dan ga ik eerst kijken of ik een geschikt bloedvat kan vinden", zeg ik terwijl ik de stuwband om de arm van mevrouw toe. "Kan je goed prikken?", vraagt mevrouw aan mij. "Ik heb al een aantal keer geprikt en die waren gelukt", zeg ik in een poging mevrouw gerust te stellen. Ik kijk mijn collega aan en ze knikt mij bemoedigend toe. Eigenlijk is er niets van gelogen bedenk ik. Ik heb al tientallen keren geprikt op een oefenarm, waarin de venflon in een keer goed zit. Nu is dat wel even iets anders dan op een echte arm, maar dat vertel ik mevrouw maar niet.

 

"U mag uw arm zo houden en een vuist blijven maken. Dan ga ik nu prikken", zeg ik terwijl ik het dopje van de naald haal. Ik voel nogmaals het vat, prik de naald erin en hoop op dat moment maar een ding: hij moet in het bloedvat zitten. Ik trek de naald een klein beetje terug en zie dat er bloed komt. Yes, denk ik, hij zit erin! Ik haal de naald terug, terwijl ik de venflon opschuif en hij in zijn geheel in het bloedvat zit. Nadat ik de pleister heb geplakt en heb gecontroleerd met NaCl of de venflon echt in het bloedvat zit, kan ik concluderen dat ik goed geprikt heb.

 

"Het is klaar mevrouw, de venflon zit goed en ik verwacht niet dat het infuus nu nog op alarm gaat slaan", zeg ik tegen mevrouw terwijl ik de spullen opruim. "Dank je wel, je hebt goed geprikt", antwoord mevrouw. Nadat ik mijn spullen opgeruimd heb, loop ik opgelucht de kamer uit. "Goed gedaan", zegt mijn collega. "Dank je wel, maar wat voelde ik een druk. Het voelde als liegen" zeg ik onderweg naar de zusterpost.

 

"Het was een leugentje om bestwil. Mevrouw was nu gerustgesteld en jij hebt kunnen oefenen met prikken", stelt mijn collega gerust. En met die woorden en de gedachte aan de geslaagde venflon, kan mijn dienst die dag niet meer stuk.