Sinterklaas kapoentje

Het grote verschil tussen zorgen voor volwassenen en kinderen, is dat volwassen over het algemeen goed kunnen aangeven wat er is. Zij kunnen je feilloos vertellen waar het pijn doet, wat ze verdrietig of bang maakt en vooral ook wat zij nodig hebben van jou, als verpleegkundige. Maar wat ik zo bijzonder aan kinderen vind, is dat zij wel pijn voelen of verdrietig zijn, maar dat zij ook altijd gewoon kind blijven.

 

Het patiëntje waar ik vandaag voor mag zorgen, is een klein jongetje van bijna drie jaar. Gisteravond maakte zijn ouders zich grote zorgen om zijn gezondheid, waardoor zij laat in de avond nog richting de eerste hulp zijn vertrokken. Onderzoeken lieten weinig zien, maar er werd toch besloten een nachtje te blijven, zodat hij goed in de gaten gehouden kon worden. Een hele impact voor een jongetje van bijna drie.

 

Het jongetje zoekt de veiligheid van zijn ouders op en kruipt het liefst de gehele tijd bij zijn papa op schoot óf speelt graag in de speelkamer op de afdeling. Hij speelt met autootjes, maakt puzzels, leest boekjes of kijkt rustig een filmpje van “Winney the Pooh” op de telefoon van papa. De gehele ochtend oogt hij wat hangerig en zit jammerend bij papa op schoot. Gezien de impact van de spontane opname, kan dit zijn gedrag veroorzaken. Zeker weten doe ik dit niet en daarom probeer ik daarachter te komen.

 

“Hey kleine vriend”, begin ik mijn vraag terwijl ik naast hem neer kniel. Hij kijkt van Winney the Pooh naar mij en blijft rustig zitten. “Heb je pijn?”. Hij schudt driftig zijn hoofd. “Ben je verdrietig?”. Hij kijkt weer naar het scherm, maar niet veel later knikt hij. “Waarom ben je verdrietig?”, vraag ik hem. “Sinterklaas is geweest en ik heb niets in mijn schoen gekregen. Maar ik ben echt lief geweest”, zegt hij met een pruillip. “Andere kindjes hebben wel cadeautjes gekregen en ik niet. Ik moest van mama mijn schoentjes aan toen we naar de dokter gingen”.

 

“Tja”, denk ik bij mijzelf. Hoe ga ik dit oplossen? Het jongetje is alweer verdiept in zijn filmpje en kijkt niet meer op als ik de kamer verlaat. Als ik de gemaakte schoorsteen op de afdeling zie, krijg ik een idee. In de zusterpost staat een grote tas waarin reservecadeautjes zitten en die gebruikt kunnen worden voor kindjes die hun schoen, de avond daarvoor, niet hebben kunnen zetten. Ik pak er een houten puzzel uit en pak de rol sinterklaaspapier. Voorzichtig pak ik het cadeautje in en wil voorkomen dat kinderen zien dat wij, de cadeautjes inpakken en dus niet sinterklaas.

 

Nadat het cadeautje is ingepakt en ik het op een onbewaakt moment bij de schoorsteen heb neergelegd, loop ik terug naar het jongetje. “Zal ik jou een geheimpje vertellen?”, vraag ik hem voorzichtig. Er verschijnt een lach op zijn gezicht en hij draait zijn hoofd naar mij toe, zodat ik in zijn oor kan fluisteren. “Sinterklaas is vannacht hier geweest en heeft cadeautjes gebracht voor de kindjes die hun schoentjes aan moesten”, fluister ik. “Ga je met papa kijken?”, vraag ik hem. Maar voor ik mijn zin kan afmaken, rent hij naar de schoorsteen en zoekt hij samen met papa zijn cadeautje uit.

 

Met een grote lach laat hij niet veel later de puzzel aan mij zien. “Dat is lief van Sinterklaas”, zeg ik terwijl ik naar zijn papa knipoog. Ook papa moet lachen en het kleine jongetje lijkt zijn verdriet te zijn vergeten. En terwijl hij de puzzel openmaakt, verlaat ik de kamer. Net voordat ik de deur sluit, hoor ik hem zeggen; “dankjewel Sinterklaasje”.