Lach en een traan

Ik zit in de zusterpost als ik op mijn pieper een melding binnenkrijg: mijn patiëntje op het tweede bed van kamer 9 heeft gebeld. Omdat zo’n melding niet verklapt wat er aan de hand is, probeer ik altijd zo snel mogelijk te reageren. Ik ga dus meteen richting de kamer en omdat verpleegkundigen gewend zijn snel te lopen, ben ik er in no time.

Onderweg valt me op dat de moeder van een meisje dat zojuist richting operatiekamer is gegaan, op de gang staat. Het lijkt of ze huilt. Ik kan er nu even geen aandacht aan besteden, maar besluit haar straks aan te spreken, als ze er dan nog staat.

Het patiëntje dat heeft gebeld, vraagt om een beetje drinken.Terwijl ik zijn beker vul met water, zie ik door het raam de moeder nog steeds op de gang staan.Als ik even later weer langs haar loop, draait ze haar gezicht weg: ze wil niet dat ik zie dat ze huilt.Tja, moet ik nou wel of niet met haar gaan praten? Maar ik kan het niet maken om te doen alsof ik het niet gezien heb.

“Gaat het?” vraag ik dus voorzichtig, en ik raak kort haar arm aan.

Tranen rollen over haar wangen, haar schouders beginnen te schokken. “Sorry,” snikt ze verontschuldigend, “dit is de eerste keer dat ik er zo veel moeite mee heb. De vorige operaties vond ik ook spannend, maar nu maakt ze het zelf ook zo bewust mee. Ik wilde me nog zo groothouden, maar het moet er toch echt even uit.”

Ik sla mijn arm troostend om haar heen.

“Daar hoef je toch helemaal geen sorry voor te zeggen. Het is begrijpelijk dat iedere keer weer spannend is en dan mogen de tranen er ook echt wel zijn hoor.” Ik zie een voorzichtige glimlach, dankbaar kijkt ze me aan.“Het blijft toch spannend om je kostbaarste bezit volledig uit handen te moeten geven”, vervolg ik. Ze knikt bevestigend, terwijl ze haar tranen droogt.

“We kunnen nu alleen maar hopen dat het snel achter de rug is en ik weer lekker bij haar op de uitslaapkamer ben”, zegt ze na een tijdje. “Dankjewel voor je luisterend oor.”

“Heel graag gedaan. Ik heb wel getwijfeld of ik je moest aanspreken of niet. Ik wilde je niet nog meer aan het huilen brengen. Maar ik wilde ook niet doen alsof ik het niet gezien had”, beken ik eerlijk.

“Zo denk je dat je in een kinderziekenhuis werkt en zo moet je een oude vrouw troosten”, zegt ze en we schieten allebei in de lach.