Bijblijven

Iedere dag opnieuw zie ik nieuwe kinderen. Hierdoor heb ik, in de periode dat ik als kinderverpleegkundige werk, al veel kinderen ontmoet en voor veel kinderen mogen zorgen. Sommige kinderen blijven je altijd bij en zorgen ervoor dat, wanneer je thuis bent, je nog aan hen terugdenkt. Job is zo’n kind. Hij is elf jaar oud en heeft al de nodige dingen mee gemaakt. Een aantal jaar geleden, kreeg Job een niertransplantatie. Sindsdien ging het goed met Job en leek het erop dat de vele ziekenhuisopnames verleden tijd waren. Tot afgelopen week. Job werd ziek, kreeg koorts en voelde zich niet lekker. Maar waardoor hij ziek was, was voor de artsen een raadsel. Verschillende onderzoeken werden ingezet en toen kwam de diagnose; lymfeklierkanker. Een keiharde klap in het gezicht van Job, maar ook van zijn ouders. Lymfeklierkanker komt gelukkig niet veel voor na een transplantatie, maar de mogelijkheid is er altijd wel. Helaas dus ook bij Job. Ik mag voor Job zorgen, de dag na het slechtnieuwsgesprek.

Job vindt het allemaal maar niets, merk ik al snel. Bij alles wat er moet gebeuren, verzet Job zich hevig. Alles wordt een strijd en dat is helemaal niet wat ik wil. Ondanks dat ik weet dat sommige onderzoeken niet fijn zijn, pijn doen en veel kinderen het eng vinden, wil ik geen strijd. De gehele dag probeer ik alles bij Job. Ik probeer hem gerust te stellen, ik geef hem zoveel mogelijk de regie door hem te laten bedenken wat kan helpen, ik vraag de pedagogische zorg erbij en overleg veel met ouders. Maar niets helpt. Job gilt en schreeuwt zodra ik de kamer in kom. Ik vind het verschrikkelijk om te zien.

Maar omdat Job over zal gaan naar Utrecht, het ziekenhuis waar ze gespecialiseerd zijn in kinderkanker, zijn er nog wel een aantal onderzoeken nodig. Er zal bloed geprikt moeten worden en Job moet nog voor een scan.

De scan gaat gelukkig soepel. Maar het bloedprikken niet.

Job verzet zich hevig. Schopt met zijn benen iedereen van hem af , gilt en slaat. Hij wil niet. Als na verschillende pogingen Job niet rustig wordt, houdt vader hem vast zodat er toch geprikt kan worden. Van een afstandje kijk ik toe naar het gevecht. Het gaat volledig tegen mijn gevoel in en ik vind het verschrikkelijk dat het op deze manier moet. Maar ik weet ook dat we alles geprobeerd hebben en er geen andere keus meer was. Het bloed moest echt worden afgenomen. Als we na het prikken terug zijn op de kamer, is Job boos. Boos om wat wij hem net hebben aangedaan. En moe van het vele verzetten. Niet veel later komt de ambulance om Job op te halen en hem naar Utrecht te brengen. Als Job uit het zicht verdwijnt, blijf ik alleen in de kamer achter. Ondanks dat ik weet dat ik alles heb gedaan, in het belang van Job, heeft het veel energie gekost. Het was niet leuk om Job zo boos en verdrietig te zijn. Mede door de heftige dag, het slechte bericht en het hele verhaal van Job, zal ik nog vaak aan hem terugdenken.                                                                                                                                     En kan ik alleen maar hopen, dat het goed met hem gaat.