Dorst

Nadat ik een aantal weken door corona uit de running ben geweest, ben ik vandaag weer aan het werk. Eindelijk kan ik weer voor anderen zorgen, in plaats van dat anderen voor mij zorgen. Doordat ik in een academisch ziekenhuis werk, heb ik, na het behalen van mijn diploma kinderverpleegkundige, nog een verdiepende minor. Een periode van vier maanden waarin ik nog meer leer over zorgen voor kinderen. Voor die minor ben ik vandaag begonnen op een nieuwe afdeling met een nieuw team. Alles is zoeken en weer heel erg wennen.

Een collega werkt me in, samen hebben we de zorg voor drie kinderen. Een van die kinderen is Daan, hij is net twee geworden. Door een aandoening aan zijn nieren houdt hij vocht vast. Heel veel vocht. Zijn buik is ontzettend gezwollen en hij heeft dikke handjes en voetjes. Het belemmert hem: zelf op bed of stoel klauteren is er niet meer bij. Zijn buik zit hem in de weg en dat frustreert hem heel erg.

Doordat hij deze nieraandoening heeft, mag hij bovendien per dag maar 450 milliliter aan vocht binnenkrijgen. Dat klinkt weinig en dat is het ook. Nog veel minder dan je denkt. En wij moeten tot op de milliliter nauwkeurig alles voor hem bepalen en opschrijven. Je kunt je dus wel voorstellen wat een enorme dorst Daan moet hebben.

Mijn collega heeft zijn medicijnen in een bekertje met wat water opgelost en ze loopt naar hem toe. Zodra hij het bekertje ziet, beginnen zijn ogen te stralen. Zijn handjes reiken er al naar en dankbaar pakt hij het aan. Dat het medicijnen zijn en ook nog eens helemaal niet zo lekker, maakt hem niet uit. Daan heeft zo’n dorst, dat hij blij is dat hij mag drinken. Met twee slokken is het bekertje leeg. Daarna zet hij het aan zijn mond en kiept zijn hoofd naar achteren om echt de laatste druppel te kunnen opvangen.

Om de vieze medicijnsmaak weg te spoelen, mag hij een beetje limonade na. Op de weegschaal weeg ik nauwkeurig 10 milliliter af. Een klein bodempje rode vloeistof. Het is zo weinig, dat je het haast niet ziet. Maar voor Daan is het een feestje: nog meer drinken! Als wij verder niets meer kunnen doen, verlaten we de kamer. “Jeetje,” zeg ik op de gang,“wat zielig om te zien dat hij zo veel dorst heeft en het hem dan niet meer uitmaakt dat het vieze medicijnen zijn.” Mijn collega knikt meelevend.

Hoe hartverscheurend ik het ook vond om Daan zo te zien, ik vind het mooi om te weten dat ik er voor hem kan en mag zijn. Wat is het fijn om weer aan het werk te zijn!