(Nacht)rust

Een nachtdienst werken is heel anders dan een dagdienst. Overdag is het rumoerig op de afdeling. Er lopen meer collega’s, er zijn artsen aanwezig en er wordt veel heen en weer gelopen voor geplande onderzoeken. In de nacht is het totaal anders. Dan is de afdeling donker, zijn er maar weinig collega’s en is er stilte. Het is ’s nachts de kunst om alles zo stil mogelijk te doen. Dat houdt in dat er eigenlijk niet wordt gesproken, maar er alleen het hoognodige wordt gezegd. Alles om ervoor te zorgen dat de kinderen en ouders een zo goed mogelijke nacht hebben.

Op mijn tenen loop ik de kamer in van Koen. Maar zodra ik de deurklink naar beneden doe en de deur zachtjes open, kijkt Koen mij aan. Ook zijn moeder is nog wakker. “Kan ik iets voor jullie doen?”, vraag ik fluisterend. Ondanks dat ze beide wakker zijn, wil ik zoveel mogelijk rust op de kamer. “Nee hoor, wij gaan proberen te slapen”, fluister moeder terug. Op mijn tenen loop ik naar het bedje van Koen, kijk of hij rustig in bed ligt en check de stand van het infuus. Doordat mijn collega het infuus nog net heeft gecontroleerd, haal ik het verband er nu niet helemaal af. Op mijn tenen verlaat ik de kamer, maar net op dat moment gaat mijn pieper af. Door de stilte op de kamer, klinkt het geluid drie keer zo hard dan dat hij overdag zou klinken. Ik versnel mijn pas, zodat ik Koen niet langer wakker houdt door het gepiep. Drie uur later loop ik nogmaals mijn rondje en wederom wanneer de deur opengaat, kijken twee paar ogen mij aan. Doordat het donker in de kamer is, zie ik alleen de glinstering in hun ogen, maar ik weet dat ze wakker zijn. Als zijn moeder zich al snel weer omdraait, werp ik snel een blik op Koen en verlaat de kamer. In de hoop dat ze weer lekker verder gaan slapen.                                                                                                   Aan het einde van mijn dienst, doe ik het laatste rondje bij Koen. Ook dit keer zijn zowel Koen als zijn moeder wakker. Klaar wakker. “Hebben jullie een beetje geslapen?”, vraag ik hoopvol. Maar eigenlijk weet ik het antwoord al. Het was een korte nacht, waarop ze verschillende keren wakker zijn geweest. Zowel Koen als zijn moeder zijn niet echt uitgerust. Ik warm een fles op, verschoon de luier van Koen en geef hem zijn pijnstiller. Zo kan moeder even rustig wakker worden. Als Koen echt niet langer wil wachten op zijn fles, til ik hem bij moeder in bed. Dankbaar begint hij te drinken. Al snel begint zijn moeder te vertellen. Over Koen, deze opname en de opnamen in het verleden.          Maar ook over zijn zusje, het normale leven wat ze hebben buiten het ziekenhuis en over mijn werk als kinderverpleegkundige. We zijn zo gezellig aan het kletsen, dat de tijd vliegt. “Kom je overdragen?”. Mijn collega staat vragend in de deuropening. Ik kijk verbaasd op de klok en zie dat er bijna drie kwartier is verstreken. Beide schieten wij in de lach. Ik rond het gesprek af, wens moeder een hopelijk rustige dag en loop met mijn collega mee naar de zusterpost.

De stilte tijdens de rest van de nacht, is mooi in balans gebracht met dit gezellige gesprek op de vroege ochtend.                                                     En dat maakt, dat ik ook deze dienst, met een tevreden gevoel afsluit.