Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet

Het is nog vroeg in de ochtend wanneer ik de kamer op loop. Ik ken het patiëntje en haar mama nog van gister, wat wel prettig is. Ook al heb ik in de rapportage kunnen lezen hoe de afgelopen nacht is gegaan, ik vraag dit toch nog even na aan moeder zelf. “Hoe hebben jullie vannacht geslapen?”. Ondertussen observeer ik het kleine meisje om te zien of ze comfortabel is of dat er misschien toch wat pijnklachten zijn. “We hebben heel goed geslapen en het gaat ook goed met haar. Ik heb niet het idee dat ze pijn heeft”, antwoordt moeder terwijl het meisje rustig in het bedje speelt.

 

“Heb je lekker geslapen?”, vraag ik dit keer aan het meisje. Meteen stopt het meisje met spelen en kijken twee angstige ogen mij aan. Als verdoofd blijft ze zo zitten en ze kijkt strak voor zich uit. “Ze is boos op jullie”, hoor ik de moeder zeggen. “Ze is boos op alle mensen in witte of blauwe pakken en dan is zwijgen haar manier om dat duidelijk te maken”. Ik laat de woorden van moeder op mij in werken en bedenk mij dat het eigenlijk helemaal geen gekke reactie is. Ik stel mij voor hoe bedreigend het moet zijn voor een klein meisje wat in bed ligt en wordt omringt door verpleegkundigen, artsen en anesthesiemedewerkers.

 

Hoe begrijpelijk het ook is, echt praktisch is het ook niet, aangezien ik ook deze dienst weer voor haar ga zorgen. “Zullen we een spelletje doen?”. Ze kijkt van haar mama naar mij en zegt nog steeds niets. Ik geef haar eventjes de tijd en dan knikt ze voorzichtig. “Leuk! Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet en de kleur is roze.” Vluchtig gaan haar oogjes de kamer door en wanneer ze de grote heliumballon ziet, stopt ze met zoeken. Haar arm gaat de lucht in en vol trots wijst ze de grote ballon aan. “Goed zo, dat was snel”, zeg ik tegen haar. “Nu is mama aan de beurt.”. “Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet en de kleur is paars”, zegt moeder vervolgens. Weer schieten haar oogjes de hele kamer door en verschijnt er langzaam een lach op haar gezicht.

 

Zo spelen we een tijdje door, zonder dat het meisje nog iets heeft gezegd. “Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet en het is grijs”, klinkt het dan opeens heel voorzichtig. Met stralende ogen kijkt ze ons aan, terwijl haar mama en ik hard ons best doen het grijze object te zoeken. Van een grijs stukje in de deken, tot aan de grijze broek van mama, het grijs in haar schoenen tot aan haar grijze knuffel, alles wijzen wij aan maar nog steeds blijft ze heftig nee-schudden.

 

“De olifant!”, schatert ze uit. Ze komt op mij afgerend en wijst vol trots de kleine olifant, die op mijn keycord zit, aan. “Jij bent echt goed zeg, wij wisten het echt niet”, zegt haar mama lachend. Het meisje staat trots met haar armpjes over elkaar en heeft een twinkeling in haar ogen.

 

De gehele ochtend kletst het meisje honderduit en vertelt mij alles over Elsa en Anna, haar kleine zusje, de prinsessenjurk met glitters en van haar boosheid is niks meer te merken. Als ze klaar is om naar huis te gaan en ze bij de deuropening is, draait ze zich om en roept; “Doei Sanne én doei olifant”.