In het nauw gedreven

Met grote passen komt hij de afdeling op. Ondanks dat ik nog totaal geen idee heb wat hij gaat zeggen of vragen en of het überhaupt aan mij gericht is, kan ik zien dat hij boos is. Zijn borst steekt naar voren en zijn passen worden steeds groter. Ik mag geen vooroordeel hebben maar de manier van lopen, geeft mij wat kriebels.

 

“Ik moet nu naar haar toe”, zegt hij wanneer hij voor mij staat. Nog steeds staat hij met zijn borst vooruit en erg dichtbij, waardoor ik mij niet prettig voel. Maar wat doe je dan? Ik maak voor mijzelf de afweging en probeer rustig te blijven. Om iets meer afstand te creëren, zet ik een klein stapje naar achter. “Naar wie wilt u toe?”, vraag ik op een rustige toon. “Mijn dochter”, snauwt hij terug. Er gaat niet meteen een belletje rinkelen en ik weet even niet over wie hij het heeft. Maar als even later de grootouders erbij komen staan, weet ik over wie hij het heeft en herinner ik mij ook de moeder. Al de gehele ochtend waren er wat spanningen. De tegenvaller dat hun dochter niet op een eenpersoonskamer, maar op een vierpersoonskamer kwam, het niet werkende internet en dan ook nog een uur vroeger naar de operatiekamer gaan, waardoor er in alle haast afscheid moest worden genomen, zorgde ervoor dat de emoties bij moeder hoog opliepen.

 

“Uw dochter is op de operatiekamer en daar is uw vrouw ook”, zeg ik tegen hem. “Het beleid is dat er maar één ouder mee mag en daarom kunt u het beste hier even wachten tot uw vrouw terug is”. “Ik heb mijn dochter niet meer kunnen zien, kan ik naar de operatiekamer toe?”, antwoord hij op een nog steeds onprettige manier. Aan de reactie te merken, lijkt het alsof mijn woorden niet tot hem zijn door gedrongen. Vader staat nog steeds met zijn handen in zijn zij, zijn borst vooruit en geeft mij nog steeds een onprettig gevoel. 
Een gevoel van in een hoekje gedreven worden en geen kant op kunnen, tenzij je doet wat iemand van je wil. Maar ik ben niet van plan vader zijn zin te geven, want ik wil mij aan de regels van het ziekenhuis houden en een lijn trekken naar mijn andere patiënten toe.

 

“Het spijt mij oprecht voor u, maar u kunt nu niet naar uw dochter. Uw vrouw is bij haar en het lijkt mij het beste als u in de centrale hal wacht op uw vrouw”, zeg ik nog steeds uiterst kalm. Ik slaak een zucht van opluchting wanneer ik merk dat de vader genoegen neemt met mijn woorden en de afdeling afloopt, nog steeds met dezelfde grote passen als waarmee hij de afdeling op kwam.

 

Ik merk aan mijzelf dat het niet prettig was om zo aangesproken te worden en ik twijfel wat ik moet doen. Ik wil voorkomen dat vader andere collega’s ook zo aan gaat spreken en daarom bespreek ik de situatie met de senior verpleegkundige.

 

Later die ochtend gaan wij samen met de vader en moeder in gesprek over de houding richting mij. Een gesprek waarbij er rustig wordt besproken wat zijn houding met mij deed. Niet om gelijk te krijgen, niet om excuses te horen, maar om te laten weten dat ik, als verpleegkundige maar ook als mens, met respect aangesproken wil worden en behandeld wil worden zoals ik mijn patiënten en familie behandel.

 

Na het gesprek lopen vader en moeder samen van de afdeling. Vader nog steeds met zijn borst vooruit maar zijn passen, zijn een stuk minder groot als waarmee hij de afdeling opkwam.