Waar is de uitgang?

“Kaakchirurg bij de balie” lees ik op mijn papier terwijl ik in de zusterpost zit. “Dat is mooi”, denk ik bij mijzelf. Hoe eerder de arts is langsgelopen bij mijn patiëntje, hoe beter. Maar als ik de zusterpost uitloop, zie ik geen kaakchirurg staan. Ik loop verder naar de balie, maar ook daar is niemand te bekennen.

“Waar is de kaakchirurg?”, vraag ik aan de secretaresse? “Ik moet doorgeven dat de kaakchirurg pas vanaf 10:00 uur kan komen en ze dan dus ook pas met ontslag kan gaan”, antwoord de secretaresse terwijl ik een blik werp op de klok. 08:30…

 

Vanaf de balie loop ik meteen door naar de kamer waar het patiëntje, samen met haar moeder, ligt. Zodra ik met mijn linkervoet de kamer binnen kom, draait ze meteen haar hoofd om. Ik kijk in het verwachtingsvolle gezichtje en haar ogen kijken mijn vragend aan. “Helaas. De kaakchirurg wil jullie nog graag even zelf zien en dan mogen jullie naar huis. Het vervelende is wel, dat zij pas rond 10:00 bij jullie langs kan komen.”. De teleurstelling druipt van haar gezicht af. “Kan ik nog iets voor je doen om het een beetje goed te maken?”, vraag ik aan haar. Ze schudt haar hoofd en ik loop de kamer uit.

 

Steeds wanneer ik de kamer voorbijloop en een blik in de kamer werp, kijkt ze op. Nog steeds met de verwachtingsvolle ogen van eerder die ochtend. Ogen die de vraag “wanneer komt ze nou?” lijken te stellen. De minuten worden inmiddels uren en het is bijna 10:30 als ik de kaakchirurg de afdeling op zie komen. Meteen gaan we naar de patiëntenkamer toe en zodra we binnenkomen, begint ze te stralen.

 

Nadat de kaakchirurg haar goedkeuring heeft gegeven en alle papieren in orde zijn gemaakt, ga ik weer terug om het infuusje te verwijderen. Nadat ik uitleg heb gegeven over de pijnstillers, de leefregels heb doorgenomen en het polsbandje heb doorgeknipt, vraag ik of er nog vragen zijn. “Nee, voor mij is alles helemaal duidelijk”, antwoord moeder terwijl ze mij een hand geeft. “Bedankt voor de goede zorgen”. Ik schud moeder de hand en kijk daarna mijn patiëntje vragend aan. “Heb jij nog een vraag voor mij?”. Het blijft even stil, maar dan schiet haar vinger de lucht in. “Ik heb een vraag!”, zegt ze. “Vraag maar raak”, zeg ik, terwijl ik haar verwachtingsvol aankijk. “Waar is de uitgang?”, vraagt ze met een bloedserieus gezicht. Ik kan mijn lach niet onderdrukken en ook moeder schiet in de lach.

 

“Volgens mij heeft het jou allemaal lang genoeg geduurd en wil je nu heel graag naar huis”, antwoord ik. Ze knikt hevig en pakt haar tas van het bed. Bij de deur geef ik haar een hand en wijs ik haar de weg. “Wat zijn kinderen toch heerlijk om mee te werken”, denk ik bij mijzelf terwijl ik zie hoe ze samen met haar moeder de afdeling verlaat.